De claim dat de aarde aan het eind van de vorige eeuw razendsnel is opgewarmd – ja, het ‘hockeystickverhaal’ – is gebaseerd op een onderzoek aan slechts 12 bomen. Twaalf!. Behalve dat dit veel te weinig is om iets over de mondiale temperatuur te zeggen lijken de bomen ook nog eens speciaal geselecteerd te zijn om het opwarmingsalarm extra aan te zetten. Doet men hetzelfde onderzoek met andere bomen uit dezelfde omgeving dan is er plotseling geen sprake meer van temperatuursstijging aan het eind van de vorige eeuw. Dat is kortweg de meest recente serie ontdekkingen van de Canadese amateur statisticus Stephen McIntyre van het weblog ClimateAudit.org. Een nieuwe episode in de ondergang van de (peer reviewed uiteraard!) klimatologie.
Eerst een stukje voorgeschiedenis.
De mensen die zich vanaf de jaren 80 zorgen maakten over de toenemende uitstoot van CO2 in de atmosfeer hadden maar bar weinig bewijs dat er ook echt iets aan de hand was. CO2 is een broeikasgas – zeker – maar is de aarde wel werkelijk in een onrustbarend tempo aan het opwarmen? Tot dat moment ging men er van uit dat de geschiedenis van de temperatuur er uit zag als onderstaand plaatje (uit het IPCC Rapport van 1990). Het was in de Middeleeuwen blijkbaar behoorlijk warm geweest, en die periode was opgevolgt door de zogeheten Kleine IJstijd die pas in de 19e eeuw echt was afgelopen. Het zag er allemaal weinig verontrustend uit.

Maar in 1998 en 1999 herschreef onderzoeker Michael Mann van de Universiteit van Massachusetts met anderen in het tijdschrift Nature en Geophysical Research Letters de klimaatgeschiedenis van de afgelopen 1000 jaar. Volgens hen was het in de Middeleeuwen niet zo warm geweest en in de Kleine IJstijd niet zo koud. Maar pas aan het einde van de 20e eeuw, toen was de temperatuur plotsklaps omhoog geschoten! De grafiek waarin dit werd afgebeeld leek op een liggende hockeystick. Dit was het veelgezochte bewijs dat de temperatuur angstaanjagend snel aan het stijgen was, en uiteraard was dat de schukd van de mens. De hockeystickgrafiek was ‘crack cocaine’ voor de klimaatalarmisten en ze adopteerden deze dan ook al snel als een soort van logo.

Maar de Canadees Stephen McIntyre vertrouwde het niet: de grafiek leek hem te veel op de plaatjes waarmee oplichters geld trachten los te weken voor de exploratie van zogenaamde rijke goudvoorkomens, en het was een tijdlang zijn beroep geweest om dergelijke lieden te ontmaskeren. Het gereedschap dat daarbij gebruikt wordt heet een ‘audit’ het opvragen en grondig analyseren van het oorspronkelijke onderzoeksmateriaal. Maar zo gewoon als dit in de mijnbouwwereld en allerlei andere beroepsgroepen is, zo bijzonder was het blijkbaar in de klimatologie, want Michael Mann had niets klaar liggen, en kwam uiteindelijk gedeeltelijk over de brug en heeft nooit compleet inzage gegeven. En hij was niet de enige die de mooie woorden van de VN klimaatorganisatie IPCC over ‘transparantie’ aan zijn laars lapte,
vele andere wetenschappers maakten McIntyre het werk onmogelijk, door niet op zijn verzoeken te reageren, door te zeggen dat het materiaal kwijt was of door te zeggen dat ze het materiaal niet verder mochten distribueren. De Britse professor Phil Jones reageerde op een vergelijkbaar verzoek van een andere onderzoeker met: ‘Ik heb 25 jaar werk hierin zitten, waarom
zou ik U mijn onderzoeksgegevens ter beschikking stellen als het U alleen maar gaat om er een fout in te vinden’.
Maar McIntyre liet niet los en verkreeg in een aantal gevallen toch de gezochte gegevens. Uit de analyses die hij daarop los liet bleek inderdaad dat de hockeystickgrafiek aan alle kanten rammelde. Hij veroorzaakte daarmee een dusdanige commotie dat de Amerikaanse Akademie van Wetenschappen twee commissies benoemde om de zaak
verder te onderzoeken. Deze moesten McIntyre echter grotendeels in het gelijk stellen. (Dit is een veel te korte samenvatting van deze jarenlange strijd. Zie hier voor meer en uiteraard McIntyres site zelf – hier )
Het betekende echter niet het einde van de hockeystick: weliswaar werd grommend toegegeven dat de studie van Mann niet helemaal klopte, maar echt van belang vond men dat niet, er waren immers verscheidene andere onafhankelijke studies waarin de hockeystickgrafiek alsnog bevestigd werd, zo werd gezegd. En zo werd de hockeystickgrafiek grafiek vervangen
door onderstaande spaghetti-grafiek.

Maar deze ‘andere onafhankelijke’ studies bleken afkomstig te zijn van een klein groepje onderzoekers dat frequent als co-auteur bij elkaars publicatie optrad (een van de commissies had deze ‘onafhankelijkheid’ ook al betwijfeld). Daarbovenop bleek ook dat dit intieme clubje ook graag elkaars ruwe onderzoeksmateriaal (de ‘proxies’) hergebruikt. In verscheidene van deze studies die de hockeystick/spaghettigrafiek ondersteunden werd gebruik gemaakt van een boomringanalyse van de Engelse prof Keith Briffa van de Climate Research Unit van de Universiteit van East Anglia uit 2000. Hij had op basis van een selectie van bomen uit het Siberische schiereiland Yamal aangetoond dat de temperatuur aan het einde van de 20e eeuw omhoog schoot, dus de vorm had van een hockeystick.
McIntyre had ook Briffa benaderd voor een audit maar deze weigerde daar aan mee te werken. McIntyre probeerde het ook via de wetenschappelijke tijdschriften waarin Briffa publiceerde. Deze eisen vaak van hun auteurs dat ze, juist ten behoeve van audits,
hun onderzoeksmateriaal online archiveren, maar in de praktijk vaak komt daar niet veel van terecht zo ervoer McIntyre. De tijdschriften willen of durven hun eigen beleid blijkbaar niet te handhaven, zelfs de beroemde tijdschriften Science en Nature kwamen niet of zeer gebrekkig over de brug. Ook een beroep op de Freedom of Information Act – Briffa wordt uit belastingcenten betaald – had geen effect.
Deze voor de wetenschap zeer genante gang van zaken kwam, althans in dit ene geval, pas ten einde toen Briffa in 2008 samen met anderen publiceerde in de Philosophical
Transactions van de Britse Royal Society, het equyivalent van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Deze organisatie kwam, na een attendering door McIntyre wel in actie en dwong Briffa tot het publiceren van zijn ruwe materiaal. Het duurde even voordat het ook werkelijk gebeurde, maar in september 2009 kon McIntyre er zijn analytische vaardigheden op botvieren, hetgeen binnen ongeveer een week tot de huidige opwinding leidde.
Om de temperatuur vast te stellen in een tijd dat er nog geen thermometers bestonden, gebruikt men zogeheten ‘proxies’: natuurverschijnselen die verbonden kunnen worden met
bepaalde temperaturen. De botten van een prehistorische ijsbeer in Spanje zijn een ‘proxy’ voor de temperatuur in die tijd, blijkbaar was het toen wat koeler. Ook boomringen worden als ‘proxy’ beschouwd. In warme jaren zijn ze dikker dan in koude jaren, en dat vormt zo een houvast om de temperatuur uit een bepaalde tijd terug te berekenen.
Maar de groei van een boom wordt niet alleen bepaald door de temperatuur, allerlei andere factoren spelen ook een rol: de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, de hoeveelheid
water, de hoeveelheid voedingsmiddelen in de bodem, de aanwezigheid van andere bomen. Die factoren kunnen in de loop van de geschiedenis makkelijk veranderen:
een beek verlegt zijn loop en geeft daardoor bomen meer of minder water, een boom gaat dood en de achterblijvende boom profiteert van het extra licht, de wortels van een boom groeien in een voedingsrijke of juist arme laag, en ga zo maar even door. Bovendien is het de vraag of alle bomensoorten op dezelfde wijze reageren. Het is
daarom noodzakelijk dat een onderzoeker zijn boomringen calibreert, dus aantoont dat hij de boom terecht als historische thermometer behandelt, door bijvoorbeeld een verband te leggen tussen de werkelijk gemeten temperaturen in een periode en de dikte van de ringen. McIntyre maakt duidelijk dat deze calibratie nogal eens te wensen overlaat, en de onderzoeker Craig Loehle maakt er helemaal gehakt van ( zie hier)
In enkele posts op zijn site ontrafelde McIntyre Briffa’s studie (hier). Het bleek dat Briffa zich baseerde op een selectie uit de 2000 boomringenmonsters die door twee Russische onderzoekers in de Yamal-streek (Noord-Siberië) waren verzameld. Op basis van die monsters hadden ze een temperatuuranalyse gemaakt van de afgelopen duizenden jaren maar die liet echter een zeer vlak temperatuurverloop zien, geen enkele indicatie van een hogere temperatuur aan het einde van de 20e eeuw, geen hockeystick. McIntyre wijst er echter op dat dit een gevolg is van de statistische benadering van de Russen en niet gezien kan worden als relevant voor het hockeystick verhaal.
McIntyre ontdekt dat Briffa’s temperatuurreconstructie van de laatste tien jaar van de 20e eeuw gebaseerd is op slechts 12 bomen uit de Russische collectie. Veel te weinig om iets te zeggen over het recente temperatuursverloop in die streek. McIntyre meent dat 50-60 bomen een redelijke hoeveelheid zou zijn.
Maar minstens zo interessant is de vraag waarom Briffa nu juist dit groepje van 12 bomen koos, en niet een andere keuze maakte uit de omvangrijke Russische collectie, of waarom hij niet de
collectie van collega Schweingruber gebruikte die in enigszins dezelfde streek 34 boommonsters had genomen en waarvan Briffa op de hoogte was. McIntyre besloot om de temperatuurgrafiek zelf ook te maken, maar dan de 12 ‘Russische’ bomen te vervangen door 34 ‘Schweingruber’ bomen. Zo ontstond, in de woorden van de Canadees, het meest verontrustende plaatje dat ooit op zijn blog stond.

Met de 12 bomen gaat de temeratuur aan het einde van de 20 eeuw snel omhoog (een hockeystick), maar met de andere bomen gaat de temperatuur omlaag! Weg snelle opwarming!
De skeptische weblogs gaan er nu massaal van uit dat Briffa zich schuldig heeft gemaakt aan cherry picking, het selecteren van data om de klimaathysterie aan te jagen. McIntyre doet daar niet aan mee en houdt het er op dat het te maken heeft met Briffa’s onderzoeksmethode. Het echt significante vindt hij dat de studie blijkbaar niet robuust is: als een kleine verandering in onderzoeksmateriaal tot zulke dramatisch andere resultaten leidt, dan heb je geen erg betrouwbaar materiaal in handen.
Op het alarmistische blog van Real Climate was de naam van McIntyre jarenlang taboe, maar nu raakt men niet over hem uitgepraat. De reacties (het zijn er honderden, ik heb ze niet allemaal gelezen) zijn vooral woedend, en voorzover er al inhoudelijk wordt gereageerd betreft dat vooral de kritiek dat McIntyre zijn bevindingen in een peer reviewed tijdschrift zou moeten publiceren.
Het is de vraag of McIntyre dat zal doen, en ook of het zin heeft. De laatste bevindingen van McIntyre komen impliciet neer op een vernietigend oordeel over de peer review in de klimatologie (en het is niet de eerste keer). Waarom hebben de peer reviewers Briffa’s vreemde strapatsen niet herkend? Het gaat in het onderhavige gevalk om waarschijnlijk 10 artikelen (uit de peer reviewed literatuur) die hierdoor uiterst onzeker zijn geworden en mogelijk zullen moeten worden ingetrokken. Wat zijn nog de voordelen van het publiceren in die tijdschriften?
Het voortdurende geroep dat McIntyre zou moeten publiceren gaat voorbij aan de mogelijkheid dat de tijdschriften in kwestie hem ook zouden kunnen inviteren. Maar belangrijker is nog dat dit een voorbeeld is van hoe de discussies op blogs blijkbaar een goed alternatief kunnen vormen voor het volgens velen vermolmde systeem van peer review. Het is toegankelijker, transparanter en veel sneller dan een tijdschrift. Er is geen enkele reden waarom Briffa zou moeten wachten op een tijdschriftartikel van McIntyre, hij kan nu meteen al reageren op Climate Audit
Briffa – die overigens een ernstige nierziekte lijkt te hebben – heeft inmiddels inderdaad gereageerd via zijn eigen website. Met veel inhoudelijks komt hij nog niet maar de toon is wel opvallend mild. Briffa ontkent de suggestie van ‘cherry picking’ en suggereert dat McIntyre misschien wel enkele valide punten maakt, maar dat hij dan eerst diens materiaal moet zien. Het komt niet erg overtuigend over na zoveel jaren tegenwerking.
De focus op de vraag of Briffa zich bezondigd heeft aan ‘cherry picking’ kan in deze zaak een probleem worden. Ook als hij in volle integriteit dit specifieke stel bomen heeft gekozen, dan maakt het kleine aantal daarvan de conclusies alsnog waardeloos.
Bron: klimatosoof.nl